Communicatiebureau
Nieuws
Antwoorden
Portfolio
Prijzen
Kortlandt
Contact
ARKCOMMUNICATIE
Adriaan Kortlandt nieuws
Autobiografie
Foto's
Historie
Autobiografie

Een aantal selecties uit de nog niet uitgegeven autobiografie van Adriaan Kortlandt:

Wilt u meer selecties lezen? 
Stuur een e-mail naar Arkcommunicatie>> 

 Hans van Weerd geeft een toelichting in de collegezaal van Artis

 

 

 Jeugd (uit hoofdstuk 1 - De prehistorie)
"We weten tegenwoordig dat onbewuste herinneringen uit de prilste kindertijd een beslissende invloed hebben op de latere levensloop. Dat is ook vaak het geval bij vogelsoorten en zoogdieren. Daarom begin ik dit verhaal bij het begin. Ik werd geboren en groeide de eerste drie jaren op in een woning op de vierde etage van de westpunt van het eiland in de Maas in Rotterdam. Dat gaf een schitterend blikveld op de rivier, op de Holland-Amerika-Lijn, de Rotterdamsche Lloyd en op al die andere schepen die wegvoeren naar verre landen en dan achter de horizon verdwenen. Het was misschien wel het mooiste uitzicht in heel Rotterdam. De details van dergelijke vroege indrukken glijden later meestal weg in het onbewuste. Het enige wat ik me er later nog van herinnerde was het felle licht in de verte en een gevoel van hoogtevrees. Maar angst is meestal de begeleiding van een verlangen. Ik ben ervan overtuigd, dat toen reeds mijn verlangen naar uitbreiding van mijn horizon werd gevormd, mijn Wanderlust, of Hinausweh, zoals de Duitsers dat noemen, dus uitwee in tegenstelling tot heimwee. Het gaf richting aan mijn verdere levensloop. Observeren van al wat leeft en beweegt werd mijn eerste grote hobby."

 

Observatietoren (uit hoofdstuk 6 - Observatietechniek)
"Toch voldeed de acht meter hoge observatietoren niet helemaal. Er was geen slaapgelegenheid en daardoor veroorzaakte het bezoeken en verlaten van de toren in de paarvormingsperiode nog te veel verontrusting bij de vogels. Ook was de observatieafstand te groot om de fijnere details te kunnen zien of horen. Er zaten dus nog grote gaten in mijn observatiemateriaal. Om te begrijpen wat er in het innerlijk van de vogels omging had ik uiterst nauwkeurige waarnemingen van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat nodig. Daarom bouwde ik in de winter van 1938-’39 een twaalf meter hoge toren met een draaibare kop boven en een slaaphokje beneden. Deze werd geplaatst temidden van vierentwintig in het seizoen overjarige nesten voordat de paarvormingsperiode begon. In de paarvormingsperiode werden bovendien elf "nestpunten" voor kortere of langere tijd door aalscholvers in gebruik genomen. Ik kon een groot deel van de kolonie overzien en over de rivierdijk heen kijken als de vogels gingen foerageren. Het bezoeken en verlaten van de hut deed ik alleen ’s nachts, terwijl de vogels sliepen. Voedsel, drinken en de post werden ook ‘s nachts met een kabelbaantje vanuit de bewoonde wereld aangevoerd. Daardoor kon ik tot tien of elf dagen zonder onderbreking en zonder verstoring van de vogels waarnemen. Brood werd in de vorm van kleine broodjes tezamen met chocoladerepen opgeknabbeld om de observatie niet te onderbreken voor het snijden, besmeren en beleggen. Het diner was koud blikvoedsel, behalve als het regende of hard woei, want dan deden de aalscholvers niets. In juni en juli werden de dagen te lang voor continue observatie."



Oversprongtheorie (uit hoofdstuk 15 - De oversprongbeweging)

"Het oversprongverschijnsel droeg ook bij tot de algemene theorievorming. Gedragingen die normaal door een geactiveerde behoefte waren aangedreven ("autochtoon" gedrag) vertoonden de normale doelstrevendheid. Deze doelgerichtheid ontbrak echter bij overspronggedragingen ("allochtoon" gedrag). Het aandrijvingsmechanisme was dus verschillend bij de twee soorten van gedragingen. De actiecoördinerende factor in het autochtone gedrag was blijkbaar het geactiveerd-zijn van de behoefte. Bij het oversprongcomfortgedrag was er geen aandrang tot verenverzorging, bij het schijncopuleren was er zelfs in seksueel getinte situaties geen poging tot genitaal contact, bij het pseudoslapen ging de kluut niet liggen en bleef hij met half geknikte poten klaarwakker rondkijken enzovoorts. De behoefte bleef dan dus latent. Dit waren eenvoudige waarnemingsfeiten. Maar de vraag hoe de geactiveerde behoefte zijn mysterieuze coördinerende invloed bewerkstelligde, bleef onbeantwoord. Onderzoekers moeten soms berusten in het feit dat sommige vragen onbeantwoord blijven. Ondertussen werkte mijn artikel van 1940c bij vakgenoten als een onvoorziene verrassing. Lorenz schreef mij als commentaar, dat het hem ergerde dat hij het principe van de oversprong niet zelf had bedacht. Toen ik Heinroth een overdrukje stuurde bedankte hij me met een brief geadresseerd aan "Herrn Prof. Dr. A. Kortlandt". Dat leidde tot een mengelmoes van ongeloof en vrolijkheid in het studentenhuis waar ik woonde."


Analyse van de Nederlandse ethologie (uit hoofdstuk 37 - De ontknoping)
Intussen verscheen Röells boek (1996) waarin hij de ontwikkeling van de Nederlandse ethologie tot 1950 analyseerde. Het was een interessante en leerzame studie, maar ook hij kon het raadsel niet bevredigend verklaren. Dat stimuleerde mij tot hernieuwd snuffelen, dus tot detectivewerk in oude correspondentie en vakliteratuur. Ik kreeg volop vrije tijd om dit te doen nadat ik de onderzoekingen en ontdekkingen in Afrika had uitgewerkt en gepubliceerd. Een penibel probleem daarbij was hoe ik het samenspel van Nico Tinbergen (NT) en GB in 1941-’42 zou kunnen verklaren. Iedereen en ikzelf incluis beschouwde NT immers als een integer persoon. Dat was jegens mij al afdoende gebleken uit zijn reacties toen hij en ik in 1938, onafhankelijk van elkaar, de oversprong ontdekten.
Röell (1995, 2000) is van beroep historicus. Hij is daarom geïnteresseerd in de historische dynamiek van het wetenschappelijke proces, dus niet in de wisselende wetenschappelijke “waarheden” die tijdelijk uit lopende onderzoekingen voortvloeien. Zijn conclusie was (p.187-188): “Noch NT noch GB gaven verwijzingen naar AK’s werk”, maar “het kan geen twijfel lijden dat AK’s werk heeft bijgedragen tot de formulering van het hiërarchiemodel door NT en GB”.
Voor mij was dit een soort van bescheiden rehabilitatie. Achteraf beschouwd is het merkwaardig dat blijkbaar geen enkele Nederlandse etholoog tot deze conclusie kwam of zoiets openlijk durfde te zeggen of schrijven. Röell gaf geen nadere kwalificatie van het gebeuren. Een intellectuele “diefstal” of “piraterij” was het niet, want GB had immers zelf een belangrijke bijdrage tot het concept geleverd. Misschien zou men het een “kidnapping” kunnen noemen, of “valse munterij”, omdat zowel de chronologie als het woordje “men” en de kwaliteit van het werk van “men” misleidend waren weergegeven. De achterliggende motieven waren kennelijk bij NT en GB ten dele hun afkeer en afweer tegen de menselijke psychowetenschappen, en voorts bij GB een bovenmatige persoonlijke eerzucht.
In een recensie op Röells boek schreef H. Brandt-Corstius (1996):
“De vondst van de hiërarchie van de gedragingen kan niet aan NT worden
toegeschreven [...] Hoe NT de dierpsychologen en de andere Nederlandse ethologen zoals de Amsterdammer AK weet uit te schakelen, komt niet helemaal boven water.”

CommunicatiebureauNieuwsAntwoordenPortfolioPrijzenKortlandtContact