Communicatiebureau
Nieuws
Antwoorden
Portfolio
Prijzen
Kortlandt
Contact
ARKCOMMUNICATIE
Adriaan Kortlandt nieuws
Autobiografie
Foto's
Historie
Historie

 Een levensloop als onderzoeker

1925-1935 Gestimuleerd door de boekjes van Heimans en Thijsse, ontstaat het initiatief van een groep jonge onderzoekers om, met behulp van fietsen, prismakijkers en fototoestellen, de natuur in Nederland te bestuderen.
Publicaties van A.F.J. Portielje (Artismedewerker, 1928 en 1938) en Konrad Lorenz (Oostenrijker, 1935) sporen hen aan om de veroorzaking en de doelgerichtheid van het instinctieve gedrag van vogels, vissen en insecten niet alleen te beschrijven, maar ook in het wild te analyseren. Dat wordt "Ethologie" genoemd.

1936 Frans Makkink beschrijft het "overspringen" en afreageren van een geblokkeerde impuls uit een instinct (of subinstinct) naar een ander instinct (of subinstinct) bij kluten. In 1938 beschrijft Adriaan Kortlandt hetzelfde bij aalscholvers.In 1939 onderzoekt Niko Tinbergen hetzelfde bij meeuwen en andere vogels, onafhankelijk van Kortlandt. Samen noemen zij dat daarna (1940) de "oversprongbeweging" of –"gedraging".

1937-1939 Om de waarnemingstechniek te verbeteren bouwt Kortlandt temidden van groepen aalscholvernesten twee triplex observatietorens van 8 en 12 meter hoog, waarvan één met een woonhokje om de vogels niet te verstoren. Hij gaat er alleen ’s nachts in en uit en woont er vijf maanden (1939).

1938-1940 Kortlandt beschrijft:
(1) Biseksuele onderdelen in zowel mannelijk als vrouwelijk paarvorminggedrag,
(2) Stressniveaus in het overspronggedrag, mede gebaseerd op Makkink 1938,
(3) Deels gescheiden aandrijvingen en doelgerichtheden in parings-, paarvorming- en "teder" (ouderlijk) gedrag van amoureuze partners,
(4) Hiërarchische ("concentrische") aandrijvingen en doelgerichtheden binnen deze drie en twee andere hoofdinstincten,
(5) In ontogenie en hormonale rijping: meestal geïsoleerde ontwikkeling van deelpatronen gevolgd door opstijgende integratie volgens het hiërarchische systeem,
(6) Soms ruptureel gedrag tussen stabiele fasen in deze ontwikkelingen,
(7) De fenomenologische gelijkenis van punten (4), (5) en (6) met processen in de medische en kinderpsychologie suggereert fundamentele overeenkomsten

(S. Freud, C. von Monakow, K. Groos, Ch. Bühler, M. Montessori),
(8) In brieven dd. 11 juli en 14 november 1938 onderschrijft Tinbergen Kortlandts interpretatie (contra Lorenz) inzake punt (4), maar verwart hij dit gedeeltelijk met punt (2).

1940 Baerends ontdekt hiërarchische aandrijvingen en doelstrevendheden bij graafwespen. Deze insecten vertonen geen geïsoleerde deelontwikkelingen of opstijgende integraties. Tinbergen, Baerends en Kortlandt bespreken hun wederzijdse resultaten gedrieën uitvoerig.

1941 Baerends beschrijft zijn ontdekking in zijn proefschrift, maar verzwijgt Kortlandts eerdere resultaten inzake alle bovenvermelde punten, behalve betreffende de oversprong. Dat verzwijgen van voorafgaand onderzoek gaat in tegen de gebruikelijke regels in de wetenschap.

1942 Tinbergen claimt hiërarchische aandrijvingen en doelstrevendheden te hebben geobserveerd bij stekelbaarzen en beschrijft tevens de resultaten van Baerends, maar verzwijgt eveneens Kortlandts werk dienaangaande. De bovengenoemde 7 punten worden niet geciteerd. Er ontstaat bij de "klassieke" ethologen een mysterieuze blinde muur jegens Kortlandts onderzoek. Een soort excommunicatie dus.

1942-1954 Klassieke ethologen reageren niet op vier volgende en merendeels ethologische publicaties van Kortlandt, inclusief diens proefschrift over het broedvoorbereidingsgedrag van de aalscholver (1949, cum laude).

1951 Tinbergen doorbreekt eenmaal de blinde muur rondom de Leidse en Groningse ethologie door de geïsoleerde deelontwikkeling en de opstijgende integratie volgens Kortlandt waarderend te citeren, maar gaat niet in op de overige bovenvermelde punten. Hij verwerpt iedere oriëntering naar de menselijke psychologie (p. 4-6 in zijn boek). Het onderzoeksgebied van de ethologie wordt kernachtig omschreven als "The Four Why’s", zonder te vermelden dat dit viertal is ontleend aan de titels van Kortlandts geschriften in 1940.

1955 Na jarenlange voorbereiding schrijft Kortlandt een omvattend artikel van 130 bladzijden over alle aspecten van de hiërarchie en de ontogenie van gedrag, vooral bij zoogdieren inclusief de mens. Tinbergen reageert deels waarderend deels goedbedoeld kritisch, maar zonder in te gaan op de inhoud. R.A. Hinde commentarieert in 1957 het artikel met beschimping, zonder de resultaten van Kortlandt te vermelden. De overige Europese ethologen zwijgen geschrokken, maar in de Verenigde Staten wordt het artikel herdrukt door het National Institute of Mental Health. Pas na 21 jaar durft R. Dawkins in Engeland in een artikel "Hierarchical organisation: a candidate principle for ethology" het geschrift van Kortlandt "brilliantly erudite" te noemen.

1942-1985 Intussen blijft het mysterie van het gebeuren in 1941 en 1942 nog steeds onverklaard. Er zijn weliswaar allerlei kleine voorvallen die vermoedens doen rijzen, maar daarmee kan de feitelijke excommunicatie van Kortlandt niet worden verklaard. Pas als de tijd van (auto)biografieën is aangebroken komt er stap voor stap enige duidelijkheid.

1985 Baerends schrijft in een commentaar inzake de hiërarchie in zijn proefschrift: "Since Tinbergen was not quite satisfied with the way I had formulated the discussion of my conclusions, he proposed to rephrase this part together and so we did".

1996 De historicus D.R. Röell concludeert uit archieven en uit beschikbaar gestelde privé-correspondentie: "Ondanks het ontbreken van verwijzingen kan het dus geen twijfel leiden dat Kortlandts werk heeft bijgedragen tot de formulering van het hiërarchiemodel door Tinbergen en Baerends".

2003 Kruuk, een goede vriend van Tinbergen, schrijft inzake de dissertatie van Baerends: "that the conclusions of his study in his main paper, and the realization of the hierarchical structure of behaviour, were written jointly with Niko, his supervisor". Dat "samen schrijven" was uiteraard een (weliswaar milde) vorm van examenfraude. De taak van een supervisor is immers te onderwijzen en raad te geven, maar de promovendus moet zelf de conclusies trekken en het resultaat daarna ter beoordeling aan de Faculteit voorleggen. Daarom moest het "samen schrijven" dus blijkbaar 62 jaar lang geheim blijven.
In dit geval is de gezamenlijke conclusie (volgens Baerends 1941, p IV): "dat men zich van de hiërarchische bouw van het systeem der inwendige factoren niet genoeg bewust geweest is." Daarna schrijft Tinbergen (1942, p. 59): "that the hierarchical structure of the causal factors activating the different major and minor drives was not fully recognised". De slimme kunstgreep in deze woorden zit in het simpele woordje "men" en in de anonimiteit van de tegenstander in de strijd om de prioriteit van de ontdekking. Dit is verbale magie. Aldus wordt Kortlandt anoniem buiten de deur gezet. Aan Baerends kan nu het "eerstgeboorterecht" over de hiërarchie van instincten worden toegekend.

De vriendelijke woorden in Tinbergens brief aan Kortlandt van 14 november 1938, namelijk "een hiërarchie, zoals jij zegt […] waar toekomstig nauwkeurig werk zoals je bij je aalscholvers doet nog heel wat moois tevoorschijn kan brengen" zijn in 1941-1942 vergeten, verdrongen en verzwegen. De geavanceerde waarnemingstechniek met torens temidden van de aalscholvernesten waarmee al dat "moois" kon worden geobserveerd, bleef ook verzwegen. Het gesprek gedrieën in augustus 1940 over de hiërarchie was ook uitgewist.

Met Baerends kwam een nieuwe geest in de Nederlandse ethologie bovendrijven, namelijk een sfeer van strengheid in de leer plus een straffe interne organisatie, alsmede het wegcensureren van vrijdenkerij en iedere inspiratie uit de menselijke psychowetenschappen. De bekende vissen- en vleermuizengedragsonderzoeker Prof. S. Dijkgraaf uit Utrecht (schoonzoon van Karl von Frisch) werd bijvoorbeeld buitengesloten uit de Internationale Ethologische Conferentie in Groningen in 1955. Kortlandt werd in 1981 geschrapt van de lijst van Nederlandse ethologen voor de IEC. Tot en met 2002 werd hij niet geaccepteerd als lid van de Nederlandse Vereniging voor Gedragsbiologie.

Kortlandt:"Het ergste van dit alles was dat iedere inspiratie vanuit en/of ten behoeve van toepassing van de ethologie in de menselijke psychowetenschappen, totaal werd onderdrukt door de Europese ethologische school. Directe of indirecte wetenschappelijke overdenking inzake het lijden van geesteszieken en/of de opgroei van kinderen viel buiten hun gezichtsveld. Het was, en is nog steeds, een anti-darwinistische en anti-maatschappelijke mentaliteit ten opzichte van het menselijk gedrag en het menselijk welzijn. Voor mijn wetenschappelijk streven, naar overbrugging van de kloof naar de menswetenschappen en naar het doorbreken van de blinde muur rondom de Europese ethologie, was geen plaats. Dat is zelfs nu nog steeds zo. Ik had gevraagd om tijdens het congres van de European Conference of Behavioural Biology op 27-31 augustus a.s. in Groningen een kort afscheidswoord van bijvoorbeeld 15 minuten te mogen spreken, zowel vanwege mijn leeftijd van 86 jaar als omdat ik de laatste overlevende en nog actieve beoefenaar uit de pionierstijd van de ethologie ben. De congresleiding stond dit echter niet toe."

In de Verenigde Staten had Kortlandt wel succes. Kortlandt: "Emigratie naar de Verenigde Staten of Canada kwam voor mij niet in aanmerking vanwege familieomstandigheden. Daarom zwaaide ik omstreeks 1953-1957 langzamerhand om naar onderzoek van het gedrag van apen en van de menselijke evolutie. Wat in de evolutie is gebeurd, dat kunnen medici en psychologen toch niet meer verhelpen. Mijn nieuwe werk trok de aandacht van de Belgisch-Congolese Nationale Parken. Het leidde tot een uitnodiging om in Belgisch Congo chimpansees te gaan bestuderen. Na een grondige voorbereiding vertrok ik op 3 januari 1960 naar Afrika, met in mijn bagage onder meer een touwladder van 25 meter lang. Dat werd het begin van een heel nieuw leven met veel avontuur."

Intussen is de fakkel van Kortlandt toch niet helemaal uitgedoofd. Zijn vroegere studenten Dr. F.X. Plooij en Prof. A.R. Cools ontlenen er nog steeds bezieling aan in hun kinderpsychologische en medisch-psychologische werk. Zie bijvoorbeeld het boek voor ouders van H. van de Rijt en F.X. Plooij: "Oei, ik groei!"

CommunicatiebureauNieuwsAntwoordenPortfolioPrijzenKortlandtContact